Kijk ook eens op

Volg ons



interviewt
Karlijn Swinkels voelt dat de aansluiting nabij is

Karlijn Swinkels voelt dat de aansluiting nabij is

Woensdag 12 december 2018

Interviews - Karlijn Swinkels stond eind 2016 te glimmen in de regenboogtrui, nadat ze de wereldtitel tijdrijden bij de junior-vrouwen had gewonnen. De Brabantse vond als één van de weinigen in haar leeftijdsklasse een plek in een UCI-team – eerst was dat Parkhotel Valkenburg en vervolgens het Italiaanse Alé Cipollini. Daar rijdt ze ook in 2019.

Op haar palmares geen grote overwinningen of podiumplaatsen sinds haar overstap naar de elite-vrouwen. Een verdienstelijke zevende plek bij het EK Tijdrijden voor rensters -23 jaar, dat wel. Maar verder is het in de praktijk hard werken om enigszins in het spoor te blijven van de toppers van het vrouwenpeloton. Na twee jaar heeft ze het idee dat ze de aansluiting de komende jaren kan gaan maken.

Lastig geweest

Net na haar overstap naar de elite-vrouwen leek die aansluiting heel ver weg. “Dat is best wel eens lastig geweest ja. Je behoort gewoon tot de beste rensters bij de junior-vrouwen, maar je bent gewend aan wedstrijden van zeventig a tachtig kilometer. Soms rijd je een clubcompetitiewedstrijd en dan doe je honderd kilometer, maar daarin ligt het niveau weer veel lager dan in een UCI-koers. En dan heb ik het nog niet eens over een WorldTour-wedstrijd, het allerhoogste niveau. Zeker als dat wedstrijden als de Strade Bianche en de Ronde van Vlaanderen zijn. Het niveauverschil is heel groot. Veel jonge rensters worden op de eerste klim al gelost. En als je kijkt naar de laatste twintig die overblijven, hoe vaak zit daar een renster van 18, 19 of 20 tussen?  Niet vaak, kan ik zeggen. Natuurlijk ligt het eraan wat voor renster je bent. Een sprintster als Lorena Wiebes heeft het gemakkelijker gehad met een overstap. Maar ben je een klassiekerrenner dan heb vier tot zes jaar nodig voordat je echt met de besten mee kunt."

Goede feedback 

Ze ziet zelf het licht weer enigszins, haar najaar – met de wereldbekers in het Zweedse Vargarda, de Ladies Tour of Norway en de Madrid Challenge – vond ze veelbelovend. Ook vanuit haar team kreeg ze goede feedback. Ze mag dan ook bij Alé Cipollini blijven in 2019. Een situatie waar ze ook (toenmalig) bondscoach Thorwald Veneberg voor dankt.  "Ik was na de eerste maanden van het seizoen even helemaal ‘gaar’ gereden. Ik was al in Australië begonnen en had daarna veel gekoerst en afgezien. Ik moest daarom nodig weer trainen en opbouwen. Gelukkig mocht ik twee keer met een selectie van bondscoach Thorwald Veneberg mee om anderhalve week te trainen en zo mijn basisinhoud voor de rest van het seizoen te vergroten. Achteraf leg ik daar de basis om mijn seizoen toch nog mooi af te sluiten. Ik kwam terug in het peloton met mooie prestaties in Noorwegen en Zweden en ook de Madrid Challenge ging echt supergoed. Uiteindelijk had ik sowieso mogen blijven bij Alé Cipollini. Maar er is een verschil tussen blijven en blijven. Nu is er bij mijn team ook echt vertrouwen, zo kom je eerder in een vaste opstelling en krijg je sneller een vrije rol. Je zoekt immers ook bevestiging dat het goed gaat, het seizoen mag niet alleen maar bestaan uit moeten lossen of werken."

Foto: © Sportfoto



Eerder...

Interviews Nieuwsberichten

Powered by Manieu.nl