Volg ons

Facebook  Instagram  YouTube

interviewt
Leen Poortvliet leefde een korte profcarrière

Leen Poortvliet leefde een korte profcarrière

Dinsdag 19 oktober 2021

Interviews - Leen Poortvliet maakte in de jaren 1969 en 1970 als beroepsrenner deel uit van Willem II-Gazelle. Hij won als amateur in 1968 liefst 23 koersen. Als prof zegevierde de inwoner van het Zuid-Hollandse Dirksland de Belgische wielerklassieker de Omloop van het Leiedal en een etappe in de Ronde van Duinkerke. Toen de Nederlandse profformaties Willem II-Gazelle en Caballero stopten, betekende dat voor Leen Poortvliet ook het einde van een kortstondig bestaan als profrenner.

Tekst: Dan Rolandus

''Ik ben meteen gaan solliciteren en werd aangenomen bij AKZO in Rotterdam-Europoort en heb vervolgens zeven jaar lang geen fiets meer aangeraakt.’’

Leen Poortvliet werd op 20 juli 1943 geboren in Dirksland, woonde in Sommelsdijk en vervolgens in Dirksland waarop hij in 1954 met zijn ouders en twee broers verhuisde naar Herkingen waar hij tot op de trouwdag in 1967 heeft gewoond. ‘’Ik ben toen met mijn vrouw Bea gaan wonen in Dirksland en ben er nooit meer weggegaan.’’

Verkeerde tubes

De liefde voor het fietsen begon in Herkingen op Goeree-Overflakkee. ‘’Ik moest altijd op de fiets naar school, fietste van Herkingen 10 kilometer naar Middelharnis en weer terug. De liefde voor de wielersport is begonnen vanuit het fietsen naar school en de Dikke Banden Race in Achthuizen. De DBRace was 20 kilometer lang en daar reden ook jongens mee met een ‘halve’ racefiets. Dat waren al echte renners, zoals Jan Pieterse (Olympisch kampioen Tokyo 1964 op de ploegentijdrit met verder Bart Zoet, Gerben Karstens en Eef Dolman, DR. Ik werd op een gewone fiets vierde achter die mannen. De mensen langs het parkoers zeiden tegen mijn vader dat ze mij een racefiets moesten geven, waarop hij antwoordde dat ik eerst mijn studie moest afmaken.’’ Leen Poortvliet was 17 jaar toen hij toch een racefiets onder zijn zitvlak kreeg geschoven. ‘’Ik ben in 1961 achter op de brommer met mijn vader Cor naar Dussen gereden. Een oud-schaatser had in zijn fietsenzaak een tweedehandsracefiets staan. Mijn vader ging op de brommer terug naar Herkingen en ik op de racefiets. Achteraf heb ik nog geluk gehad met de tubes, die normaal dubbelzijdig gehecht zijn met kit, maar ik reed gewoon op de band. De jongens in Achthuizen met wie ik regelmatig trainde zagen het meteen en is het toch nog goed gekomen.’’ Leen Poortvliet was wielrenner en reed in 1961 zijn eerste wedstrijd bij de nieuwelingen in Sint Willebrord, Met Zuidland en Warmenhuizen het wielermekka van Nederland. ‘’Junioren had je in die tijd nog niet. Ik heb de race in Sint Willebrord uitgereden. De tweede wedstrijd in Zevenbergen herinner ik me nog goed. Het was een rondje van 900 meter met elf scherpe bochten. Ik reed achter in het peloton. Harry van Pieren, de latere winnaar had mij al snel twee keer gedubbeld, waarop ik na vijf rondjes uit de koers werd genomen. Dat was mijn vuurdoop.’’ 

Dirksland-Apeldoorn

Leen Poortvliet leerde snel, wilde immers wielrenner worden, dus was het hard trainen. Dat loonde, want in 1962 leverde dat met overwinningen in onder meer Spijkenisse en in Cadzand en een derde plaats in Made de nodige podiumplaatsen op, een stimulans om door te gaan. ‘’Ik moest in 1962 in militaire dienst, kwam terecht bij de marechaussee. Dat was zo ’n fanatieke hap waar je niets mocht, dus was het fietsen over. Bovendien kwam daar de strenge winter 1962/’63 nog eens overheen. Ik ben in maart 1963 weer gaan trainen, reed ik op de fiets van Dirksland naar Apeldoorn om kilometers te maken. Dat was in de tijd dat je bij Middelharnis nog met de veerboot over moest naar Hellevoetsluis. Ik wist in het begin nog niet precies hoe ik moest rijden, een Tom-Tom had je in die tijd nog niet. Ik ben later overgeplaatst naar de Oranje Kazerne in Deelen, heb ik ook op de fiets gegaan. De commandant van de marechaussee had niets met fietsen, vroeg mij waar ik met die flauwekul met dat heen en weer fietsen mee bezig was. Trainen commandant, antwoordde ik. De conditie was ook merkbaar in één van mijn eerste wedstrijden bij de amateurs. Ik zat in de Ronde van Zuidland met drie man voorop. Ik kreeg op drie ronden voor het einde kramp, vanwege mijn conditie.’’

Erop en erover

De Dirkslander zwaaide in september 1964 af als dienstplichtige en ging weer aan koersen denken. ‘’Ik trainde als een gek, te gek, want ik kreeg griep en raakte overtraind waardoor het seizoen snel voorbij was. Ik had in 1965 ’s winters een ‘baantje’, deed nogal eens een karweitje. Maar daarnaast kon je bij de amateurs nog aardig wat bij verdienen, tenminste als je je in de prijzen reed.’’ Leen Poortvliet deed het in het seizoen 1965 en 1966 niet onverdienstelijk. ‘’Ik was lid van PRC Delta uit Spijkenisse en won aardig wat wedstrijden. Ik won de Ronde van Klein Zundert, maar dat ging niet zonder horten en stoten. Ik raakte op driekwart van de koers betrokken bij een valpartij. Ik reed terug naar het peloton, ging er meteen voorbij en kwam in het wiel van de koplopers Nico Lute en Piet Kentenis. Toen won ik ook nog de sprint van hen.’’

Tegenslag

Leen Poortvliet reed zich op 23-jarige leeftijd aardig in de kijker, maar kreeg in de wintermaanden te kampen met tegenslag. ‘’Ik was constant ziek, heb mijn amandelen in december 1966 laten knippen. De operatie was onder narcose. De doctoren in het ziekenhuis vertelden mij dat ik wel drie maanden de naweeën van die operatie zou hebben. Ik reed in het voorjaar geen platte prijs, dus ging ik harder trainen, ging best goed, maar in de wedstrijd wilde het niet lukken. Tot in Axel, toen won ik ineens. Ik vroeg me af waarom dit nu wel lukte en niet daarvoor. Toen schoot me de woorden van de artsen over de narcose ineens door mijn hoofd. Hadden ze in het ziekenhuis toch gelijk gehad met de drie maanden terugslag. Ik werd vervolgens in Woensdrecht met een pittige helling erin weer tweede.’’ Leen Poortvliet zou vervolgens in 1967 nog meer tegenslag krijgen in de Ronde van Zuid-Holland en later in Olympia ’s Tour. ‘’Ik was in de Ronde van Zuid-Holland betrokken bij een gigantische valpartij. Ik denk dat er toen zo ‘n 250 man aan de start stonden. We reden langs de vaart richting Stompwijk. Het was vrij smal, dus ik wilde net als iedereen zo snel mogelijk naar voren om in de eerste waaier te zitten. Er stond aan de ene kant van de weg een grote vrachtwagen met melkbussen en aan de andere kant was de weg opgebroken. Er bleef een smal gangetje over waar twee renners doorheen schoten. Peter Legierse reed door het losse zand en kwam ten val. Ik reed er met een groot aantal bovenop. Het werd een bloedbad. Ene Schouten kwam zelfs in de vaart terecht, maar kwam weer boven water. Mijn voorvork was gebroken. Ik ben nog doorgereden naar Nootdorp, maar onder mijn oog was het ingescheurd, zat onder het bloed en moest gehecht worden. Was nog een gedoe, want met een krammetje ging het niet, dus moest het gehecht worden.’’ De toen 24-jarige coureur van het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee was nauwelijks hersteld of hij stond weer aan de start in Olympia ’s Tour. Poortvliet kwam in de rit van Den Haag naar Vlissingen vlak voor het oprijden van de Van Brienenoordbrug in Rotterdam weer ten val. ‘’Het was een massale valpartij waar ik weer mijn voorvork brak en bijkwam in het Dijkzicht Ziekenhuis. Toen ik bijkwam zaten er nog een paar draadjes in van de hechtingen van de Ronde van Zuid-Holland. Mijn gezicht bleek één bloedmassa. Ik ben er toen een paar maanden uit geweest.’’

Joop Zoetemelk

‘’Ik begon eind 1967 weer een beetje goed te rijden’’, gaat Leen Poortvliet verder. ‘’Ik reed het peloton in de Ronde van Zoetermeer op twee rondes. Joop Zoetemelk sprong in de Ronde van Strijen weg uit een kopgroep van zeven man, waarna ik met Veldhuizen in mijn wiel naar hem ben toegereden. Ik won de sprint voor de overwinning voor Veldhuizen en Joop Zoetemelk, die derde werd. De donderdag na Strijen, dat was op 15 augustus 1967 ben ik getrouwd met Bea Kagchelland.’’

Na topjaar profcontract

Leen Poortvliet trok de vorm van het naseizoen 1967 door in 1968. Hij won in de ploeg van ploegleider Piet Liebregts (Smiths-Acifit) naast vele ereprijzen liefst 23 koersen. Daarmee reed hij zich in de kijker bij Willem II-Gazelle, de Nederlandse profequipe van ploegleider Ton Vissers. ‘’Ik was aan het trainen op het eiland (Goeree-Overflakkee, DR) toen mijn vader (Cor Poortvliet, DR) mij tegemoet reed. Hij vertelde me dat ik meteen naar het trainingskamp aan het Gardameer in Italië moest. Ik naar huis. Jan Serpenti stond me thuis in Dirksland al op te wachten. We zijn samen met de auto naar het Gardameer gereden. Ik zat gelijk in training, merkte dat ik tijdens een trainingsrit één van de betere renners was. Het Gardameer was 144 kilometer rondom en daarna reden we nog een apart rondje van 50 kilometer om uit te rijden. Na het trainingskamp terug naar huis in Dirksland. De 23 overwinningen waren bij Ton Vissers kennelijk niet onopgemerkt gebleven. Ik had in die tijd een gigantisch grote supportersclub in Dirksland. Ik heb toen in een café samen met Bert van Es, de voorzitter van de supportersvereniging, en met Ton Vissers een gesprek gehad. We hebben gelijk een contract afgesloten van twee jaar. Het was een contract van fl. 2.000,00 (tweeduizend gulden, DR) per jaar. Voor dat bedrag rijden de profs tegenwoordig geen criterium meer. Maar goed, ik was prof bij Willem II-Gazelle. Ik kreeg ook nog vier shirts en een fiets. Als ik een lekke band had, moest ik wel zelf een band kopen. Het contract was te weinig om van te leven en teveel om te sterven. Het leven als prof begon met koersen en criteriums rijden in België, veel in België. De profs kiezen tegenwoordig de wedstrijden uit of gaan op hoogtestage naar Livigno, de Sierra Nevada of naar de Teide op Tenerife. Maar in mijn tijd moest je geld verdienen, dus ging je naar België, waar nog eens 150 man aan de start stonden, die brood op de planken wilden. Toch ging je er telkens weer naar toe. Het voordeel met al die koersen was dat je niet hoefde te trainen. Tegenwoordig lassen de mannen een rustperiode in. In mijn tijd waren er per wedstrijd zo ‘n 300 inschrijvingen, dus mocht je blij zijn als je bij de 150 starters zat. Ik was in België met Eef Dolman bij een koers waar met 150 starters slechts 25 eindprijzen te verdienen waren. Dan weet je dat je één op de zeven man wat kan verdienen. Ik had het geluk en het vermogen dat ik regelmatig bij de eerste tien eindigde.’’ Leen Poortvliet kende in onder anderen wereldkampioen Harm Ottenbros, Eef Dolman, Rini Wagtmans, René Pijnen, Cees Haast, Henk Nijdam, Peter Pos, Jos van der Vleuten, Huub Zilverberg, de Belgen Rik van Looy, Jules van der Flaas, Joseph Timmermann en Henri Dewolf tot zijn ploeggenoten.

Tour de France

Leen Poortvliet bleef opvallen in het wielerwereldje, zo ook bij Peter Post. ‘’Ik zat in de Ronde van Luxemburg in de ploeg met Eef Dolman, René Pijnen en Peter Post. We reden een dijk van een tijdrit. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat Peter Post een stem in het kapittel had om mij mee te nemen naar de Tour de France. De Tour kwam voor mij heel onverwachts, ik was niet in mijn beste doen, had me ook totaal niet kunnen voorbereiden. Een ploegleidersauto reed in de eerste etappe (Roubaix naar Sint-Pieters-Woluwe, DR) dwars door het peloton waardoor er een massale valpartij ontstond. Er werd flink gescholden op die chauffeur en ik kwam ook niet lekker terecht. Het was voor mij in de volgende dagen gewoon overleven. We wonnen met Rik van Looy de vierde etappe van Charleville-Mézières naar Nancy. Wij waren met de ploeg van Willem II aan het afstoppen. Iemand van de Spanjaarden raakte geïrriteerd en schopte René Pijnen van zijn fiets. Men zei dat die Spanjaard zomers profwielrenner was en dat hij zich ’s winters bewoog in het criminele circuit. René Pijnen was mijn slaapmaat. Hij is de andere dag in de rit van Nancy naar Mulhouse wel opgestapt, we hebben hem bergop geduwd, maar een dag later in de etappe van Mulhouse naar Ballon d’Alsace gaf hij toch op. Ik was na mijn val in de eerste etappe weer wat opgeknapt, werd zelfs nog tiende in de individuele tijdrit (gewonnen door eindwinnaar Eddy Merckx, DR) in Divonne-les-Bains. Ik ben in de tiende etappe van Chamonix naar Briançon weer gevallen. Ik ben toen overgebracht naar het ziekenhuis in Briançon en vervolgens met Tourfans teruggereden naar Nederland. De wegen scheiden ons omdat ik naar Flakkee moest en de fans de andere kant op. Ik ben daarna met een masseur met de bus naar Dirksland gereden.’’

Ton Vissers

Leen Poortvliet ging in 1970 met de ploeg op trainingskamp naar Spanje. ‘’We zijn naar Nerja geweest, de ploeg hing als los zand aan elkaar. ‘’Harm Ottenbros was wereldkampioen (1969 in Zolder, DR). Het is een stom verhaal, maar Harm wilde een trucje a la Jan Janssen maken door met zijn voorwiel andermans wiel net aan te raken zonder te vallen, maar Ottenbros viel wel. Heel zijn voorseizoen naar de knoppen. We zijn toen gaan pieken richting de voorjaarsklassiekers in België. We hadden twee ploegleiders, Ton Vissers en een steenrijke Belg. Die Belg was directeur van een fabriek dat binnenwerken van thermosflessen fabriceerde. Ik won met die Belgische ploegleider wel de Omloop van het Leiedal en een etappe in de Ronde van Duinkerke en werd nog zesde in de individuele tijdrit.’’ Leen Poortvliet was minder te spreken over de wielerkennis van Ton Vissers. ‘’Vissers kwam uit de hockeywereld, dat had weinig met wielrennen te maken, want daar had hij geen verstand van. René Pijnen reed in de Ronde van Duinkerke van 1969 in de gele trui. Vissers was weg van Rini Wagtmans. Wij moesten de trui van Pijnen van verdedigen. Rini Wagtmans zat in de kopgroep, en wij kregen Pijnen niet terug in de voorste groep. Wagtmans reed op kop van de vluchters de naad uit zijn broek. Het gevolg was dat René Pijnen uit de leiderstrui werd gereden. Cedric Vasseur won het eindklassement van de Ronde van Duinkerke. Toen we ’s avonds met de groep zaten te eten, merkte Vissers op dat dat mannetje, wijzend naar Rini, wel een stukje kon fietsen. Verbazing alom natuurlijk. Zo moesten we verder in het seizoen na de zware eendagskoers Parijs-Camembert een dag later naar Gent voor Gent-Wevelgem. We reden na de koers met z’n allen nog in het tenue met de auto direct door naar Gent, waren we om half één ’s nachts in het hotel. Terwijl Ton Vissers in het café zat te pimpelen, gingen wij naar bed, want we moesten vroeg op voor Gent-Wevelgem.’’

AKZO

Leen Poortvliet kwam echter ondanks twee goede jaren tot slechts twee profjaren. ‘’Ik liep aan het einde van het seizoen 1970 een langdurige achillespeesblessure op. Het bleek ook het einde van mijn profcarrière, want mijn ploeg Willem II-Gazelle en Caballero stopten ermee omdat zij van de belastingdienst kregen te horen dat zij renners in dienst hadden, waarover zij net als bij elke werknemer belasting over moesten betalen. Toen zijn beide ploegen gestopt en had Nederland geen profploeg meer.’’

‘’Ik ben gelijk gaan solliciteren, kwam terecht bij de AKZO in Rotterdam-Europoort en ben meteen gestopt met wielrennen. Ik had er zo de balen van dat ik zeven jaar geen fiets heb meer aangeraakt. Maar de kilootjes werden steeds zwaarder, ik woog op een gegeven moment 105 kilo. Best veel naast mijn lengte van 1.96. Ik moest iets doen en heb de fiets uit de schuur gehaald en ben vanaf Dirksland naar mijn werk in de Europoort gereden. Ik kwam als halfdood aan op mijn werk, maar ik ben vanaf dat moment elke dag heen en weer naar AKZO gereden, alleen met regen en mist ben ik met de auto gegaan en later alleen bij sneeuwval. Later ben ik naar de Welplaatweg heen en weer gereden. Ik kwam Siep van Dongen wel eens tegen. Hij adviseerde mij om voor de lol eens te gaan fietsen bij de veteranen. Hoewel ik in de volcontinue zat heb ik dat gedaan, en heb vervolgens bij de veteranen een paar leuke jaren gehad. Ik was lid van PRC Delta. Toen ik in de dagdienst zat heb ik ook nog twee jaar bij de amateurs gereden.’’

Eeuw

Leen Poortvliet herinnert zich de mooie koersen waarvan ook zijn supporters konden genieten. ‘’Mijn grootste fans waren mijn vrouw en de kinderen, die meegingen naar de koers zoals ook naar de veteranen en de koersen in België. Als ik dan voorop lag in de wedstrijd, vonden zij dat prachtig.’’ De eilander heeft nooit het idee gehad om na zijn wielercarrière ploegleider te worden of in de wielrennerij betrokken te blijven in andere functie. ‘’Ik heb van de oud-ploeggenoten eigenlijk alleen nog contact met Jan Serpenti. Jan woont in Koewacht en we zien elkaar nog vrij regelmatig, zoals met de Kerst. Mijn moeder is 100 jaar en 9 maanden. Zij woont nog in Zeeuws-Vlaanderen.’’

Santiago de Compostela

Leen Poortvliet (78) heeft met echtgenote Bea twee dochters (Heleen en Antoinette) en zes kleinkinderen. Hij belandde in 2019 in de lappenmand. ‘’Ik ben in januari 2019 bij het uitstappen van mijn bed tegen de vlakte gegaan, ben zelfs even buiten kennis geweest. Om een lang verhaal, met onder meer een hersenoperatie in het Erasmusziekenhuis en een lange revalidatie, ben ik voor negentig procent weer de oude. Op de camping zeiden ze tegen mij dat ik een wrak was, maar ben toch weer aardig opgeknapt. Ik maak weer rondjes op de racefiets of ga samen met mijn vrouw fietsen. Ik heb samen met mijn vrouw Bea met een tentje in vijf weken gefietst naar Santiago de Compostela. We zijn ook met datzelfde tentje gefietst naar Rome, Verona, rondje Nederland, de Zuiderzeeroute en de Rietlanden en Hanzestedenroute gedaan. Het plan was ook om naar het ontstaan van de Maas te rijden, maar dat ging vanwege de Corona niet door. We zijn wel naar Ohe en Laak en via de Lf12 terug naar huis in Dirksland gefietst. Vlak daarna is de vreselijke overstroming in Valkenburg geweest. Al met al kan ik met mijn 78 jaar nog aardig meekomen en dat hoop ik zo lang mogelijk vol te houden.’’

Leen Poortvliet, een vlotte verteller, heeft ook nog tijd om het huidige wielrennen te volgen. ‘’Ik volg het wielrennen nog op de voet, vooral als Mathieu van der Poel in koers is.’’ 

Foto's: Dan Rolandus en privéarchief Poortvliet

 

 


Eerder...

Interviews Nieuwsberichten

Powered by Manieu.nl